Aan den hoogedelgestrenge heer
mr. Van Leeuwen, Procureur Generaal van het Gerechtshof te ’s-HertogenBosch
Hoogedelgestrenge heer,
Daar de cultuurkamer momenteel al enige weken geleden officieel is opgericht kom ik weer terug op uw schrijven van 28 oktober. Daarin deelde u mij mede dat dansles geven door joden voorlopig door kon gaan.
Toen echter de verordening afkwam heb ik direct kontact opgenomen met de politie en de cultuurkamer over het geval Roosje Glaser.
De heer Vos, inspecteur van politie alhier deelde mij mee dat Roosje Glaser in het bezit is van een brief van de cultuurkamer, ondertekend door de secretaris van de afdeling gezelschapsdans, waarin staat dat ze voorlopig door kan gaan. Zolang hij andersluidend bericht kreeg kon hij er niets aan doen.
Daarna heb ik mij in verbinding gesteld met bovengenoemde secretaris die mij vertelde dat die brief van de cultuurkamer nu niet meer geldig is en hij het nu wel eens zou uitzoeken.
Omdat ik echter vrees dat vanwege de drukte dit geval op de lange baan zal worden geschoven wend ik mij tot u om deze zaak definitief opgelost te zien.
Hopende dat u dit schrijven in overweging wilt nemen, bij voorbaat mijn dank.
Hoogachtend,
L.J.Crielaars







